

Vorig jaar vertelde John Willems van ZON samen met Maarten Vliex van onderzoekscentrum Botany over het project 100% Groen Geteeld, waarin wordt onderzocht hoe de teelt van vrucht- en vollegrondsgroenten steeds minder afhankelijk kan worden van chemische gewasbescherming. Inmiddels zijn we een jaar verder. De proeven draaien volop en steeds meer kennis vindt zijn weg naar de praktijk. Maar hoe ervaren telers zelf deze zoektocht naar een toekomst met minder chemie? We gingen in gesprek met Tim Weijs, betrokken bij de proeven in de slateelt, en Ger Coenen, betrokken bij de proeven in de preiteelt.
Uitdaging
Wie Tim Weijs spreekt, merkt al snel dat hij niet bang is voor verandering. Integendeel. De 32-jarige teeltbegeleider van P. van Osch Groenteproducties heeft altijd veel interesse gehad in plantgezondheid, bemesting en de relatie tussen gewassen, ziekten en plagen. "Mijn groene hart zegt dat het helemaal niet verkeerd is om minder chemische middelen te gebruiken," vertelt hij. "Maar we moeten wel kunnen blijven telen. Dat is de uitdaging." Het bedrijf in Leunen teelt op grote schaal onder andere ijsbergsla, andijvie, frisée (ook wel krulandijvie genoemd), spinazie, bospeen en lelies. Toen ZON en Botany enkele jaren geleden telers zochten voor een praktijkgroep rondom chemievrije teelt van ijsbergsla, hoefde Tim niet lang na te denken. "Ik was al jaren bezig met de vraag hoe je planten sterker kunt maken. Toen ik werd gevraagd om deze proeven namens het bedrijf te begeleiden, wilde ik die uitdaging wel aangaan."
Groene strategieën
Binnen de slaproeven ligt de focus vooral op één hardnekkige tegenstander: de slaluis (Nasonovia ribisnigri). Daarbij wordt vooral gekeken naar de weerbaarheid van de plant. Een belangrijk onderdeel van het onderzoek draait om bemesting, met name stikstof. "Eigenlijk weten we al lang dat een plant die te veel stikstof krijgt aantrekkelijker wordt voor bepaalde ziekten en plagen," zegt Tim. "Vroeger was dat minder relevant, omdat er voldoende chemische middelen beschikbaar waren. Nu die steeds beperkter worden, wordt het veel belangrijker om de plant zelf weerbaar te maken."
Samen met Botany worden verschillende bemestingsstrategieën getest. Hoeveel stikstof heeft een slaplant écht nodig? Waar ligt de balans tussen voldoende groei en voldoende weerbaarheid? Ook wordt onderzocht hoe natuurlijke vijanden beter ondersteund kunnen worden, bijvoorbeeld met bloeiende planten, zoals Zilverschildzaad (Lobularia maritima), die nuttige insecten aantrekken.


Een plant die te veel stikstof krijgt wordt aantrekkelijker voor ziekten en plagen. Vroeger was dat minder relevant, omdat er voldoende chemische middelen beschikbaar waren.
Verrassende inzichten
Juist de onverwachte resultaten leveren volgens Tim de interessantste discussies op. Zo waren er percelen die nauwelijks behandeld werden, maar toch vrijwel geen luizen bevatten. "Dat zijn van die momenten waarop je beseft hoeveel we eigenlijk nog niet weten. Soms denken we dat we iets oplossen, terwijl we misschien ongemerkt ook nuttige insecten wegspuiten. Er vinden in ieder geval veel meer interacties plaats dan we vroeger dachten. Daarom is het nog niet zo gemakkelijk om oplossingen te vinden die ook op de lange termijn goed zijn voor mens en natuur."
Een belangrijk onderdeel van het project zijn de bijeenkomsten tussen onderzoekers, adviseurs en telers. Elke paar weken worden ervaringen uitgewisseld en nieuwe proefopzetten besproken. Dat gebeurt opvallend open, merkt Tim. "We hebben allemaal dezelfde uitdagingen. Dan helpt het enorm als je kennis deelt." Ook de rol van Botany waardeert hij. "Zij sturen niet van bovenaf. De onderzoekers luisteren goed naar wat er in de praktijk speelt. Wij geven aan waar we tegenaan lopen, zij vertalen dat naar een proefopzet en meten vervolgens wat er gebeurt." Volgens Tim is juist die combinatie van praktijkervaring en onderzoek de kracht van het project.
Klaar voor de toekomst
Voor Ger Coenen uit Sint Joost is meedoen aan de praktijkproeven van Botany een logische keuze. Op zijn bedrijf worden jaarrond prei, aardappelen, suikerbieten en conservengewassen geteeld. Toen John Willems hem vroeg om deel te nemen aan de praktijkgroep rondom chemievrije preiteelt, hoefde hij niet lang na te denken. "Ik hoef niet altijd vooraan te lopen, maar ik vind het wel belangrijk om te weten wat er op ons afkomt. We hebben steeds minder middelen in onze gereedschapskist. Dan moet je onderzoeken hoe je tóch een gezond product kunt blijven telen."
Verrassende resultaten
Binnen de preiproeven staat één plaag centraal: trips. Samen met onderzoekers van Botany, adviseurs en andere telers wordt gezocht naar manieren om die plaag onder controle te houden met minder chemische middelen. Daarbij worden allerlei strategieën onderzocht: andere bemesting, aangepaste onkruidbestrijding, nieuwe groene middelen en zelfs verschillende spuittechnieken. Juist de resultaten die niet vanzelfsprekend zijn, maken de proeven volgens Ger zo waardevol. Volgens hem zit daar precies de kracht van praktijkonderzoek. "Je krijgt geen kant-en-klare oplossingen, maar wel nieuwe inzichten."


Wij zitten midden in de praktijk, zij zijn echte onderzoekers en zijn goed in het verzamelen van data. Samen kom je tot conclusies waar je alleen nooit op was gekomen.
Samen kom je verder
Misschien nog wel belangrijker dan de proeven zelf vindt Ger de gesprekken met collega-telers. Iedere deelnemer brengt zijn eigen ervaringen mee. Problemen die op het ene bedrijf spelen, blijken vaak ook ergens anders voor te komen. "Je ontdekt dat niemand alles perfect voor elkaar heeft. Iedereen loopt ergens tegenaan. Dat maakt het makkelijker om ervaringen te delen." Ook de samenwerking met Botany waardeert hij. "Zij kijken heel anders dan wij. Wij zitten midden in de praktijk, zij zijn echte onderzoekers en zijn heel goed in het verzamelen van data. Samen kom je tot conclusies waar je alleen nooit op was gekomen." Volgens Ger verandert ook de cultuur binnen de sector. "Vroeger hield iedereen zijn kennis veel meer voor zichzelf. Nu zie je dat telers, onderzoekers én leveranciers steeds vaker de neus dezelfde kant op hebben staan en willen samenwerken. Dat is alleen maar goed."
Leren voor de toekomst
Chemievrij telen zal volgens Ger voorlopig niet volledig haalbaar zijn. "Ik denk niet dat we snel helemaal op nul uitkomen. Maar iedere stap vooruit is winst." Hij ziet de praktijkgroepen vooral als een investering in de toekomst. "Misschien vinden we straks de beste manier om een groen middel toe te passen. Of ontdekken we precies wanneer een behandeling het meest effectief is. Dat soort kennis helpt uiteindelijk iedere teler. "Voor collega's die nog twijfelen over deelname heeft hij een duidelijke boodschap: "Ik dacht vroeger ook wel eens: daar heb ik geen tijd voor. Maar uiteindelijk valt dat reuze mee. En wat je zelf met eigen ogen ziet, blijft veel beter hangen dan wat iemand anders je vertelt."


Hoewel hun bedrijven en gewassen sterk verschillen, delen Tim Weijs en Ger Coenen dezelfde overtuiging. De toekomst van de tuinbouw vraagt niet om eenvoudige antwoorden, maar om nieuwsgierigheid, samenwerking en de bereidheid om te blijven leren. Chemievrij telen is geen knop die je even omzet als sector, maar een zoektocht waarin iedere proef nieuwe inzichten oplevert en iedere stap vooruit er eentje is. Soms bevestigen de proeven iets wat telers al vermoedden, maar soms zetten ze alles op z’n kop. Juist daarom blijven de praktijkgroepen van Botany volgens beide telers zo waardevol. Niet omdat ze pasklare antwoorden geven, maar omdat ze helpen de teelt van morgen stap voor stap slimmer, duurzamer en weerbaarder te maken.